Ik ga rustig mijn eigen gang

Ik ga rustig mijn eigen gang

Noortje Pennarts-Elfferich (105) groeide op in Indonesië. Het was heel erg wennen voor haar in Nederland. Maar teruggaan was geen optie.

‘Nog altijd loop ik op blote voeten. En ik douche me op Indische wijze, dus ik begiet mezelf met kopjes water uit een emmer. Dat heet: sirammen. Ik ben een echt tropenkind. Indische gewoonten leer je nooit meer af. Ik ben geboren in Ngadiwono in Indonesië. Ik zal het even spellen: N-G-A-D-I-W-O-N-O. Daar heb ik gewoond totdat we terug moesten naar Nederland in 1958. Mijn vader had daar een tuinderij. We hadden apen als huisdier en paarden. Het paard was ons vervoermiddel. We woonden vrij en de buren woonden een stuk verderop.

‘Toen we terugkwamen in Nederland hebben we nauwelijks gesproken over onze kampervaringen. Mensen hier begrepen niet wat wij hadden meegemaakt in Indonesië.  Maar het was een verschrikkelijke ervaring. Ik heb in diverse kampen gezeten. Ik heb doodskisten moeten timmeren. Dan moest je erin liggen om te kijken of het paste. De Japanners gaven ons regelmatig een keiharde trap in de rug. Daar heb ik nog steeds pijn van. We beurden elkaar als lotgenoten op. Je moest de moed niet laten zakken. Je stond er niet alleen voor. Maar het was wel heel zwaar.’

Jappenkamp

‘Ik schreef briefjes naar mijn man die in een ander kamp zat. Dat mocht eens in de zoveel tijd. Soms was de tekst al voorgeschreven en mocht je zelf kort iets toevoegen. Ik schreef dat ik dichtbij mijn moeder in een kamp zat zodat hij wist welk kamp het was. Want het kamp was vlakbij het huis van mijn moeder. Na de oorlog zijn onze twee kinderen vast naar Nederland gegaan om daar naar school te gaan. In Indonesië was er alleen lagere school onderwijs. Zij verbleven bij kennissen van ons. Wij gingen af en toe op verlof naar Nederland toe. Dan was je een maand onderweg.’

Seniorencomplex

‘Nee, ik ben nooit meer terug geweest. Iedereen raadde me het af om terug te gaan omdat je niet meer vindt wat je zoekt. In Nederland zijn we niet echt gastvrij ontvangen. We moesten erg wennen aan de kou, aan de het dicht op elkaar wonen en ik miste de dieren. We hebben in Laren, Limburg en Den Haag gewoond. Uiteindelijk zijn we in Soest komen wonen. Mijn man is vrij vroeg overleden. Sindsdien woon ik alleen. Ik ben bewust met vriendinnen in dit seniorencomplex komen wonen. Dat leek ons handig. Al meer dan dertig jaar geleden hoor. Iedere twee weken drink ik koffie met vriendinnen. Eigenlijk zijn zij de kinderen van mijn vroeger vriendinnen. Maar zij zijn allemaal al lang overleden. Nu zijn hun kinderen mijn vriendinnen. Dan drinken we koffie met elkaar. Heel gezellig maar met hen voer je andere gesprekken dan met leeftijdgenoten. Op het laatst blijf je alleen over als je zo oud wordt. Niet zeuren, zeg ik dan maar tegen mezelf. Ik ga rustig mijn eigen gang.’

Actief leven

‘Mijn dochter en kleinkinderen komen veel. Kleindochter Nicolette komt iedere dag langs. Daardoor kan ik hier in deze seniorenwoning blijven wonen. We doen dan boodschappen. Als ik door de stad loop en ik zie een leuk lapje stof dan koop ik dat. Ik maak er dan kleding van. Dat heb ik altijd al gedaan. Ik heb heel veel stof en kleding. En dan nog weet ik niet altijd wat ik aan zal trekken. Naast naaien, lees ik veel. Ik spit de krant door. Ik ga ieder jaar naar mijn dochter Elly die in Spanje overwintert. Daar verzorg ik de plantjes want ik ben dol op tuinieren. Ook heb ik daar mijn eigen prinsessen bed, een luxe tuinstoel.’

Mijn eigen gang

‘Ik heb tot mijn 99e gefietst. Zelfs naar Ede en weer terug. Daarna werd mijn zicht slechter en ben ik gestopt met fietsen. Optimisme, nieuwsgierigheid en het blijven meedoen met van alles dragen bij aan het goed oud worden. Wat ik het leukste vind van zo oud worden is dat ik mijn kleinkinderen en achterkleinkinderen zie opgroeien. Ik heb pas een achter-achterkleinkind gekregen. Hier is de foto. Dat is toch erg bijzonder. ‘

Tekst: Yvonne Witter

Foto: Claudia Kamergorodski