Ze kwam uit Oekraïne…
zondag 8 maart
In ‘Veertig dagen van je leven’ vertelde Klaas van Kruistum over de onverwachte ontmoeting die hij had met een vrouw uit Oekraïne. Dat ze daarvandaan kwam had hij nooit geweten als hij haar niet had aangesproken. Iets was hij deed omdat hij tijd over had, simpelweg omdat hij zichzelf in het kader van de vastentijd de kans gunde om even los te komen van zijn telefoon. De onverwachte ontmoeting raakte Marc Bollerman.
Ik stel me voor hoe dat dan gaat. Je spreekt iemand aan. Die je niet kent. Waar je niets mee hebt. Een vrouw. Ze is niet ‘van hier’ hoor je aan haar stem. Ze komt van ver. Vertelt over de oorlog in haar land. Een oorlog die ze ontvluchtte en die haar hiernaartoe bracht. Daar waar jij haar nu ontmoet. De vreemdeling krijgt ineens een gezicht. Een naam. Een lach die je raakt. Misschien een traan die je hart beroert.
Ik realiseerde me dat er ineens ruimte komt als je in de vastentijd tijd vrijmaakt. Ruimte om een ander te zien. Het gebeurde Klaas daar in die wachtkamer. De oorlog ver weg kreeg ineens heel dichtbij een gezicht. De vrouw vertelde hem hoe ze terug was gegaan. Voor even. En daar in de puinhopen van de oorlog samen at met de mensen uit haar oude flat. Een tafel van niets, met velen gedeeld, een schril contrast met de verwoesting eromheen.
Anita Witzier antwoordde Klaas dat het er toe doet. Dat je niet onverschillig mag zijn. Dat je je best moet doen om mensen te zien. Dat mensen gezien moeten worden. En gekend.
In Gaza woedt een oorlog. Een klein stuk land. Twee miljoen mensen. Waar bommen vallen en willekeur van geweld gezinnen verscheurt. We zien het op televisie. Of nou ja: als er tenminste niet ergens anders nog iets veel ergers gebeurt. Dan gaan we door. Vergeten soms haast wat voor onbeschrijfelijke ellende zich daar op die paar vierkante kilometers afspeelt.
In Gaza woedt een oorlog. We zien de verwoeste gebouwen. Maar zien wij ook de mensen? Verreweg het merendeel van al die mensen is geen terrorist. Zij hebben niet gevraagd om geweld. Willen gewoon leven. Een tafel van niets delen met velen. Hebben die mensen een gezicht? Worden ze gezien? Gekend? Of zijn we toch – uiteindelijk – onverschillig?
In Den Haag lazen mensen die niet onverschillig wilden blijven, dag na dag de namen voor van de mensen die stierven in de Gazastrook. Omdat ze niet vergeten mogen worden. Omdat ze gezien en gekend moeten blijven. Ik word stil van binnen als ik er aan denk.
Het is vastentijd. Tijd om ruimte te maken in je hoofd, in je hart, in wie je bent en wil zijn voor al die mensen wereldwijd die gezien en gekend moeten blijven. Ik scroll op internet door lange lijsten met namen.
Dat we niet onverschillig blijven.
Dat we elkaar in de ogen blijven kijken.
Dat we elkaar willen blijven zien.
Marc Bollerman
Vasten
28 februari
In het programma Veertig dagen van je leven kregen Anita Witzier en Klaas van Kruistum deze week de opdracht sober te eten: drie maaltijden per dag en twee gezonde tussendoortjes. Margot de Zeeuw moest onmiddellijk denken aan een moeder in Malawi die ze ontmoette tijdens een projectbezoek. Deze moeder was al dankbaar als ze één maaltijd per dag voor haar kinderen had.
Buiten een tafeltje met een bakje zeeppoeder. Te koop per schepje. Haar huisje is piepklein en donker. Ik voel me te groot en te zwaar. Ga op het puntje van de gammele bank zitten. Zo weinig mogelijk aanraken. Naast me een stapel kleding. Vliegen eromheen. En een allesoverheersende, misselijkmakende stank. Niet aan denken. Niet te diep inademen. Zie de mens hier…
Ze was ziek. Haar zoon raakte ook geïnfecteerd. Hij moet nog steeds regelmatig naar het ziekenhuis. Natuurlijk gaat ze mee. Iemand moet daar immers voor hem zorgen? Geen zeephandeltje dan. Maar hier is het leven meedogenloos simpel: wie niet werkt, die eet niet.
Ik versta haar niet. Begrijp haar wel. Moedeloos is ze. Geen geld. Geen eten. Geen echtgenoot. Geen ouders. Geen uitweg.
Ze krijgt wat hulp. Gelukkig. Medicijnen voor haar en voor haar zoon. En extra voedingsmiddelen voor haar ondervoede zieke kind. Om aan te sterken. Voldoende voor één maand voor één kind.
Maar hoe legt ze haar vier andere kinderen uit dat hun broertje wel eten krijgt? Kleine porties dus. De rijst, de mais, het meel en de bonen zijn na een week op.
Nog drie weken te gaan als we afscheid nemen.
Margot de Zeeuw
Gewoontes
Zondag, 22 februari
Marc Bollerman keek gisteren naar de eerste aflevering van Veertig dagen van je leven, waarin Anita Witzier en Klaas van Kruistum wekelijks een 'vastenopdracht' krijgen en hun ervaringen met vasten delen. Het ging onder andere over loslaten en 'dat is een ding' merkt hij.
“Wat gebeurt er met jou als je afstand doet van iets waar je aan gehecht bent?” De vraag van Anita Witzier, in de eerste aflevering van het KRO-NCRV programma ‘Veertig dagen van je leven’ op NPO2, kwam direct bij me binnen. Het is een serieuze vraag die naar mijn mening precies de vinger legt op waar dit nieuwe programma in de Vastentijd over gaat. Vasten gaat over jou, over mij. Over loslaten, ruimte maken, en dat dat iets met je doet. Echt doet, als je dat tenminste toelaat.
Loslaten is een ding. Daar kunt u zich vast wat bij voorstellen. Je hecht je zo makkelijk aan dingen, aan kleine rituelen, spullen, mensen, gewoontes. Het geeft een gevoel van geluk, misschien beter: tevredenheid, als je dag vol zit met dat soort dingen die bij jou horen. Dat kopje koffie in de vroege ochtend. Die hete douche met de geur van je favoriete shampoo in je neus. Dat stukje chocola ’s avonds bij een kopje thee (dat is trouwens mijn dagelijkse geluksmomentje…). Waarom zou je dat in hemelsnaam los willen laten in de Vastentijd? Waarom zou je willens en wetens jezelf dat aandoen?
Loslaten is een ding. We worden uitgedaagd om in de Vastentijd het toch te doen. Met overgave en met aandacht. En waarom? Om – zo zei Maria van Mierlo het tenminste op televisie – ruimte te maken. Een lege plek. Klinkt heel mooi, denk ik dan. Maar wat heb ik daaraan, aan een lege plek?
Toch zou je het eens moeten proberen. En dan jouw lege plek gewoon maar even laten bestaan. Er hoeft niets voor in de plaats te komen. In het begin doet dat bij mij overigens helemaal niets. Dan mis ik alleen maar die chocola. Maar na een tijdje merk ik dan dat ik mezelf vragen ga stellen. Wat heb ik nou echt nodig? Waarom zijn al die gewoontes nou zo belangrijk. En hoe vanzelfsprekend vind ik ze? Hoe goed heb ik het eigenlijk dat ik me al dit soort kleine en grote dingen kan permitteren? Wat nou als ik dat niet meer zou kunnen? Zou ik dan nog steeds gelukkig zijn? Wat is het nou echt dat een mens gelukkig maakt?
Vorig jaar bezochten we vanuit Vastenactie projecten in Bolivia. We bezochten daar onder andere een opvangplek voor kinderen met een lichamelijke en geestelijke beperking, die door een van onze partners wordt ondersteund. De kinderen hebben helemaal niets. Perspectief, toekomst is voor hen minimaal. Ze zijn afhankelijk van de mensen die voor hen zorgen. Mensen die op hun beurt zelf in armoede leven met weinig perspectief. En toch zijn deze kinderen op hun manier gelukkig.
Toen ik gisterenavond aarzelde of ik wel of niet een chocolaatje zou pakken, dacht ik ineens aan die kinderen. En aan de intense knuffel die ik van één van hen kreeg. Omdat ons bezoek haar geluksmomentje die dag was? Misschien was dat alles: omdat ze zich gezien voelde. En wat is er belangrijker dan dat.
Ik glimlachte bij die herinnering. Waarna ik me realiseerde dat ik dat chocolaatje automatisch toch weer in mijn mond had gestopt. Verdorie! Gewoontes zijn een ding. Morgen ga ik het weer proberen. Het is gelukkig nog lang geen Pasen.
Marc Bollerman
Aswoensdag
Woensdag 18 februari
Vandaag is het Aswoensdag, de eerste dag van de Veertigdagentijd. Vandaag halen katholieken traditiegetrouw een 'askruisje'. Marc Bollerman ondergaat het altijd met enige aarzeling.
“Gedenk mens, dat ge stof zijt en tot stof zult wederkeren…” Dreigende woorden die elk jaar weer worden uitgesproken door de pastoor in mijn parochie tijdens de viering van Aswoensdag, terwijl hij met een ernstig gezicht een zwart kruisteken van as op mijn voorhoofd schrijft. Het is een indrukwekkend ritueel dat ik altijd met enige aarzeling onderga.
De aarzeling zit niet in de woorden: die zijn indringend, maar wel ontzettend betekenisvol. Het herinnert er ons aan dat veel in het leven relatief is, dat we voorbij onze eigen trots moeten kijken. Ze plaatsen ons in het hier en nu en tegelijk klinkt er in door dat dat hier en nu niet vanzelfsprekend is.
De aarzeling zit ook niet in de ernstige blik van mijn pastoor. Het is heel wat, wat hij moet doen. Voorhoofd na voorhoofd mensen in hun ziel raken en uitnodigen om te relativeren. Ik zou er ook ernstig bij kijken. Het stelt me gerust dat hij zelf ook getekend is met as. Zijn voorhoofd is niet heiliger of beter dan dat van mij.
De aarzeling zit 'm ook niet in de statige stilte van de – helaas vaak wat lege – kerk die je als een deken omarmt. De kerk is geen sombere plek. Het is een plek die mee-ademt met het ritme van het leven. We vieren er, rouwen er, zingen en bidden er. En dus is zo’n askruisje helemaal niet zo gek, zo één keer per jaar. Relativeren en even over je eigen trots heen stappen is voor elk mens goed.
De aarzeling zit vooral in de abrupte overgang. Gisteren was het nog carnaval (zeker hier in Brabant). Morgen is het vastentijd. Gisteren was het nog ‘business as usual’. Morgen zijn we samen onderweg naar Pasen. Gisteren was het feest, was het zondag. Morgen is het stil, sober, en verschieten de kleuren van groen en wit naar paars.
Ben ik daar wel klaar voor? Kan ik dat wel? Misschien wil ik morgen ook nog wel feesten. Of heb ik helemaal geen behoefte aan relativering en van die dingen. Misschien veeg ik straks het liefste dat veel te zichtbare zwarte kruisje weer gauw weg met de achterkant van mijn hand.
Durf ik wel echt dat askruisje te ontvangen? En mijn ziel te laten raken?
En elk jaar weer, doe ik het toch en elk jaar weer, gebeurt het bijzondere dat ik me ineens realiseer dat het goed is. Het is helemaal prima dat ik niet weet of ik wel klaar ben voor die veertigdagentijd. Het is helemaal prima dat ik misschien straks gauw dat kruisje weer wegveeg. Waar het om gaat is dat je naar voren gaat; dat ik naar voren ga om mijn hoofd te buigen en dat oeroude ritueel te ondergaan.
Want ja, ik maar een mens, met al mijn grote en kleine minpunten. En nee, dat is niet erg. Het is goed zo: ik mag er zijn.
Dat is het mooie, hoopvolle van Aswoensdag. En dus loop ik – hoop ik – ook dit jaar weer naar buiten met een licht hart. Want ik ben maar een mens. Stof uiteindelijk, meer niet. Maar als je doet wat je kan, dan mag je er zijn.
Marc Bollerman
Kiezen voor liefde
Maandag 16 februari
Deze week begint de veertigdagentijd. In de lezingen van deze week komen onder andere de thema's 'kiezen' en 'licht in de duisternis' aan de orde. Thema's die je ongemerkt op verschillende manieren en verschillende momenten in je leven tegenkomt zoals Margot de Zeeuw ooit meemaakte. Kiezen voor liefde bracht een grote verandering ten goede teweeg.
Het is alweer jaren geleden dat Daisey in mijn leven kwam. Haar betovergrootmoeder moet het beruchte monster van Caerbannog geweest zijn, dat onder andere ronde tafelridders Heer Gawain en Heer Hector nogal bruut een kopje kleiner maakte in Monty Python en de Heilige Graal. Maar ja, dat wist ik allemaal niet van tevoren.
Het begon ermee dat onze lieve hangoor Ben weduwnaar was geworden. Inderdaad, we hebben het over konijnen vandaag. Op naar het konijnenasiel dus. Het werd Daisey. Het doorslaggevende argument? Ze zat er al een jaar en niemand wilde haar hebben. Dat vond ik zielig, maar had me natuurlijk wel aan het denken moeten zetten. Ook het feit dat Daisey op de website van het asiel omschreven stond als ‘pittige dame’ had een belletje moeten doen rinkelen. En toen er twee medewerkers nodig waren om Daisey met behulp van een stoffer en blik in mijn mandje te krijgen, toen vroeg ik me wel even af waar ik in vredesnaam aan ging beginnen.
Charges
Daisey was aanvankelijk nogal onder de indruk van de verhuizing, maar dat duurde niet erg lang. Wie in de buurt kwam, die werd gebeten. Ze gromde, ze krabde en voerde complete charges uit. Ik was verbluft: zoveel energie in zo’n schattig konijntje. Ik deed mijn best rustig te blijven, maar ben toch een paar keer flink gebeten. Eén keer bungelde ze zelfs aan mijn duim.
Toen klom schattige, kleine Daisey al na twee dagen over het XL konijnenhekje dat we in de tuin hadden gezet. En ik bedoel hier letterlijk klimmen: met vier poten in het hek jezelf omhoog werken. Ik stond met open mond te kijken en voorzag een wilde klopjacht met ovenwanten en veiligheidsschoenen. Maar Daisey kwam naar me toe gehupt, liet zich aaien en – o wonder! – liet zich rustig oppakken en weer in haar eigen tuintje zetten. Dat herhaalde zich dagelijks: iedere ochtend als ik de gordijnen opendeed, scharrelde Daisey tevreden door de tuin. Ben zat vanachter zijn hekje verbaasd toe te kijken. En ze liet zich iedere dag gewoon oppakken, zonder te bijten of zelfs maar te grommen.
Tuintafel
En toen ging ik weer overstag. Ze kregen de hele tuin en Daisey ging aan de slag. Ze klom op de tuintafel en via de tuintafel sprong ze op de hangbakken met planten hoog aan de schutting. Ze zat op de regenton en groef gangen naar de buren. Ze proefde van de plantjes en joeg alle vogels weg. Maar als er mensen in de tuin kwamen, dan kwam ze naar je toe en liet ze zich aaien. Ze was toegankelijker en socialer dan brave Ben.
Zo werd onze Daisey van een gevreesde ‘killer rabbit’ een lief, gezellig konijntje. Hoe? Terugkijkend kan ik zeggen: door voor haar te kiezen, door van haar te houden zoals ze was en van haar te genieten. Een klein wonder vond ik het. Het was wel jammer dat Daisey echt heel andere ideeën had over een leuke tuin dan ik…
Margot de Zeeuw