Dat het zalig mag zijn!
Zaterdag, 4 april
Na veertig dagen komt vandaag de vastentijd tot een einde. Veertig dagen waarin we werden opgeroepen om te vertragen, te minderen, ruimte te maken. Ik opende trouw een vakje van de vastenkalender, luisterde elke dag naar de Kloostercast en liet me raken door de mooie woorden van Maria van Mierlo. Ik keek naar Klaas en Anita in het KRO-NCRV programma ‘Veertig dagen van je leven’, die elkaar uitdaagden en soms tot verrassende ontdekkingen kwamen in de vrije ruimte die de vastentijd voor hen creëerde. Ik mocht – geluksvogel die ik was – bij The Passion zijn in Dwingeloo. Alles in een lange, langzame en tegelijkertijd volle opgang naar vandaag.
Vanavond vieren we Pasen. Licht dat in het donkerste donker weer mag groeien. Maar om dat te kunnen ervaren en te waarderen, moest het wel eerst leeg en stil worden. Gisteren, Goede Vrijdag, zat ik om drie uur ‘s middags in de kerk. Zoals elk jaar. We lopen dan de kruisweg. Statie voor statie. Een lijdensweg van een Mens, uitvergroot en steeds opnieuw verteld. In beelden, in woorden, zelfs in de liedjes van The Passion. Het raakte me ineens. De wetenschap dat zoveel mensen – wereldwijd – op datzelfde derde uur van de middag stil zijn en het verhaal horen. Dat door eeuwen heen, het verhaal nog altijd niet aan kracht heeft verloren. Een verhaal van hoop. Hoop dat het goede uiteindelijk niet dood gemaakt kán worden. Zolang er mensen zijn die niet stilstaan en wanhopen, maar doorgaan en nooit opgeven om op te komen voor alles wat kwetsbaar is en klein.
We vieren Pasen. Licht in het duister. Een licht dat nooit zal doven. We vieren dat mensen opstaan, kracht vinden, zich op weg gestuurd voelen. Zoals dat al in het Paasverhaal zelf wordt verteld: Hij is niet dood, Hij leeft. Het stopt niet, het verhaal gaat door. Hij is niet hier, maar gaat jullie vooruit. Volg Hem, maak zijn boodschap waar.
En in Bolivia gaat Pincha de deur van de gevangenis door en brengt licht en hoop in harten van gevangenen, die klein en harteloos in het donker leven.
En in Nepal gaan mensen de straat op om kinderen op te halen die leven in de duistere hoeken van straten in de hoofdstad om hen een thuis te bieden.
En in Madagaskar trekt een arts de jungle in om genezing en zorg te brengen, bij mensen die geen toegang hebben tot zorg.
En in Argentinië rechten vrouwen hun rug en strijden voor de rechten van hun dochters.
En hier – in ons eigen land – opent een kerk in Amsterdam haar deuren, voor ieder die thuisloos is.
En we vieren Pasen! Dat er altijd licht is in het donker. Dat het vuur nooit dooft, hoe donker en duister de nacht ook is. “Hij is niet hier. Hij gaat jullie vooruit. Hij leeft!”
We vieren Pasen. Omdat we weten dat wij het zelf mogen zijn, moeten zijn, die licht brengen. Op wat voor manier dan ook. Maar we gaan. Hem achterna. Omdat elk duister om licht vraagt.
Dat het nooit mag doven. Dat het Zalig mag zijn!
Marc Bollerman
Wie is mijn naaste?
Zaterdag, 28 maart
De opdracht van vorige week voor Klaas van Kruistum en Anita Witzier leek in eerste instantie gemakkelijk: doe iets goeds voor een ander. Vanavond bespraken ze met elkaar in ‘Veertig dagen van je leven’ dat het nog helemaal niet zo eenvoudig was om ‘goed te doen’. Anita vindt bijvoorbeeld dat veel dingen die je voor elkaar doet gewoon bij het leven horen. Ze vroeg zich af dan ook af wanneer iets ‘goed doen’ is. En wie bepaalt dat? Ze vond de oplossing in de ander: als het de ander goed doet, dan is het goed doen. Ook Klaas vond het lastig want hij voelde een dilemma: telt mijn goede daad nog als goed doen als het eigenlijk mijn doel is om mijn opdracht uit te voeren? Hij vond de oplossing in open staan en zien wat er op hem af zou komen. Het resulteerde in een bijzondere ontmoeting. Margot de Zeeuw herkende hun worsteling.
Laatst had ik een wat vervreemdende ervaring. Ik fietste ’s avonds laat naar huis en er fietste een vrouw voor me. Plotseling stopte ze. Ik kon haar op het nippertje ontwijken, maar zij viel op de stoep en haar fiets viel bovenop haar. Ik voelde me een beetje schuldig: misschien was ze van mij geschrokken, had ze niet gemerkt dat ik achter haar fietste. Ik stopte dus ook, maar de vrouw leek in orde. Ze moest lachen om haar situatie en probeerde overeind te krabbelen. Dat lukte niet. Ik parkeerde mijn fiets dus op de stoep, tilde haar fiets voor haar op, zette hem weg en wilde toen haar ook helpen. Ze kon echter nog steeds niet staan en toen pas snapte ik waarom: ze was heel erg dronken en was met fiets en al omgevallen.
Stoep
Ik had toen natuurlijk kunnen doorfietsen, maar het idee haar daar achter te laten stond me niet aan. Stel je voor dat ze een stukje verder zou lopen of fietsen en weer zou omvallen, maar dan op de weg in plaats van op de stoep? En dat een onoplettende automobilist haar zou aanrijden? En toen zaten we dus zomaar samen op de stoep, 's avonds laat. Een beetje te babbelen...
Ik probeerde uit te vissen of ik iemand voor haar kon bellen. Of ze alleen woonde of dat er iemand op haar wachtte. Haar antwoorden waren tegenstrijdig en ik kon er geen wijs uit worden. Uiteindelijk zijn we samen naar haar huis gelopen, stukje voor stukje, want ze had last van hartkloppingen zei ze en ze moest regelmatig even stoppen. De weg naar huis wist ze niet meer precies, maar gelukkig wel ongeveer en met een kleine omweg kwamen we er uiteindelijk toch. Ik heb gewacht tot ze - met enige moeite - de voordeur open had en binnen was.
Pannenkoek
Ze vond het erg grappig dat ik haar naar huis bracht - je bent een gekke pannenkoek! - maar ik vraag me nog steeds af of ik niet had moeten checken of er iemand thuis was. Stel je voor dat ze van de trap is gevallen en niemand haar vindt? En ik herinner mij opeens het verhaal van iemand die is gestikt in zijn eigen braaksel… Had ik niet toch politie moeten waarschuwen, wat ik wel heb overwogen, maar uiteindelijk niet deed omdat ze enigszins aanspreekbaar was?
Het maalt nog steeds door mijn hoofd. Heb ik wel goed gedaan? Hoe verantwoordelijk ben ik voor een vreemde? Waar stopt mijn zorg? Op straat? Op de stoep? Bij de voordeur? Als hij veilig in zijn eigen bed ligt? En de volgende ochtend dan?
Margot de Zeeuw
Recht naar mijn hart
zondag 22 maart
In Veertig dagen van je Leven vertelde Klaas van Kruistum gisteren hoe hij een brief had gevonden die hij – lang geleden – aan zichzelf had geschreven. Een brief waarin hij zichzelf vertelde wat voor hem op dat moment de prioriteiten in zijn leven waren. Of misschien zouden moeten zijn. Dat kan natuurlijk ook. Toen hij dat zo vertelde, dacht Marc Bollerman meteen: 'O, wat bijzonder! Ik wou dat ik ook ooit zo’n brief aan mezelf had geschreven. Wat zou mijn jongere zelf me hebben toegewenst? En zou dat dan zijn uitgekomen?'
In deze vastentijd merk ik, meer dan andere jaren, dat ik mijmer. Nadenk over vragen als waarom ik dingen doe. Hoe ik ze doe. En wat dat dan weer met anderen doet. Niet in voorgeschreven lege tijd, zoals in het programma op TV wordt verteld, maar gewoon: in de trein, onder de douche, ’s avonds na het eten als mijn kinderen naar bed aan het gaan zijn en ik de chaos van de dag opruim in huis. Het past wel bij vasten, vind ik. Met aandacht leven.
Heb jij dat dan ook? Dat je dan op die momenten van reflectie of verstilling ineens van die opdringerige gedachten in je hoofd krijgt. Over dingen die moeten, over dingen die je anders had moeten doen of die je helemaal niet hebt gedaan. Eva Simons noemde het in de uitzending 'hyena’s in je hoofd'. Die gedachten janken als het ware aan de rand van je bewustzijn en zorgen ervoor dat je weer uit die verstilling wordt getrokken.
Wat helpt dan? Je kunt het negeren, naast je neerleggen, net doen alsof het er niet is, Maar je kunt het ook omarmen, aankijken en eerlijk toegeven dat je er last van hebt. Dat alleen al, lucht mij enorm op.
Ik kreeg ineens een idee, toen ik hier zo over mijmerde. Wat nou als ik eens een brief aan mijn jongere zelf zou schrijven? Niet om te versturen, maar gewoon als een vriendelijke, lieve manier van terugkijken naar wie je bent. Misschien met een zachtmoedig advies om af en toe een andere afslag te nemen. Of – want je kunt het toch niet meer veranderen – een liefdevolle bemoediging om vol te houden. Ik herinner me dingen die ik deed, die ik nu misschien anders zou doen. Tegelijk hebben ook die dingen me gemaakt tot wie ik ben.
Veertig dagen van je leven gaat over meer dan alleen maar onthouden en minderen. Het gaat over ruimte maken. Je tempo verlagen, aandacht hebben. Maar ook over je laten raken, over oog hebben wat er echt nodig is, over er zijn voor de mensen om je heen. Gewoon om je heen, of juist door er te zijn voor mensen die zo veel meer dan wij zorg en aandacht nodig hebben. De vastentijd wordt dan zomaar ineens een anker. Even stil staan, ruimte maken en dan weer opnieuw beginnen. Hoe mooi is dat…
Weet je, ik ga die brief echt schrijven. Met een pen. Op mooi papier. En dan in een envelop. Adres: recht naar mijn hart.
Marc Bollerman
Ik wil bij jullie wonen…
Zaterdag 14 maart
Zij dacht dat het de hovenier was.
Joh. 20:15
Soms gebeurt er iets in je leven dat je even weer laat stilstaan of je diep raakt in je ziel. Soms zijn het de grote momenten, als geboorte, huwelijk of overlijden. Soms is het heel klein. Margot de Zeeuw had ruim 25 jaar geleden een korte ontmoeting op straat, maar zij stelt zichzelf nog steeds die ene vraag: “Wie heb ik daar ontmoet?”
Afgelopen zaterdag kregen Klaas en Anita een nieuwe opdracht voor hun vastenuitdaging: laat je agenda eens los en doe iets spontaans. Ik vond het een moeilijke opdracht: mijn dagen liggen tamelijk vast, met werk, gezin, hond, Spaanse les en nog zo wat dingen.
Misschien kon ik het wat ruimer interpreteren dacht ik. Maria van Mierlo gaat dit weekend in de Kloostercast in op zachter worden in je hart. Dat raakt wel aan elkaar vond ik. Ik doe namelijk regelmatig dingen omdat ik vind dat het nou eenmaal zo hoort. En ik doe allerlei dingen niet omdat ik dan zo’n stemmetje in mijn hoofd hoor: ‘Wat zullen anderen daar wel niet van denken?’ Allesbehalve spontaan dus.
Maar door jezelf op die manier te beperken, mis je ook een deel van het leven. Zoals die ene keer, lang geleden. Het was een gewone, doordeweekse ochtend. Tenminste: dat was het voor de meeste mensen, maar niet voor ons. We hadden een afspraak gehad in het ziekenhuis voor de allereerste echo van ons eerste kind. We waren samen op de fiets naar het ziekenhuis gegaan en hadden daar op het computerscherm inderdaad een piepklein mensje gezien. Een wonder!
Tuinman
Op een roze wolk fietsten we terug, naar het station, waar mijn man de trein naar zijn werk zou nemen. Hij zou linksaf oversteken, ik zou rechtdoor fietsen, naar huis. We keken nog een keer naar de ‘foto’ van de baby, kusten elkaar gedag, vol van het kind dat we verwachtten. Ik zwaaide hem na en stapte weer op de fiets.
Precies op dat moment fietste een vreemde man mij achterop. Hij zag er nogal verwilderd uit, met lang, slordig, ongekamd haar en een wilde baard. Hij reed op een stokoude fiets, zag eruit als een zwerver en viel volkomen uit de toon in deze keurige buurt.
“Ik wil ook wel een kus van je,” viel hij met de deur in huis. Ik reageerde onmiddellijk: “Ik ben toch niet met jou getrouwd!”. En toen gebeurde er iets vreemds. Ik weet niet meer wat hij precies antwoordde, wel dat ik me onmiddellijk schaamde voor mijn afwerende reactie. Zijn antwoord kwam erop neer dat het hem ‘daarom’ helemaal niet ging, dat hij dat punt allang voorbij was. Toen vroeg hij of we een tuin hadden, “want ik wil wel bij jullie komen wonen. In een huisje achterin de tuin. Dan kan ik de tuin voor jullie bijhouden. Dat lijkt me gezellig.”
Toen moest ik rechtsaf, hij fietste rechtdoor. Ik was verbouwereerd en op een diep niveau beschaamd en terecht gewezen. Ik stopte en wilde naar hem roepen, hem zijn kus geven, maar ik zag hem niet; het grote, open kruispunt was leeg…
Margot de Zeeuw
Ze kwam uit Oekraïne…
zondag 8 maart
In ‘Veertig dagen van je leven’ vertelde Klaas van Kruistum over de onverwachte ontmoeting die hij had met een vrouw uit Oekraïne. Dat ze daarvandaan kwam had hij nooit geweten als hij haar niet had aangesproken. Iets was hij deed omdat hij tijd over had, simpelweg omdat hij zichzelf in het kader van de vastentijd de kans gunde om even los te komen van zijn telefoon. De onverwachte ontmoeting raakte Marc Bollerman.
Ik stel me voor hoe dat dan gaat. Je spreekt iemand aan. Die je niet kent. Waar je niets mee hebt. Een vrouw. Ze is niet ‘van hier’ hoor je aan haar stem. Ze komt van ver. Vertelt over de oorlog in haar land. Een oorlog die ze ontvluchtte en die haar hiernaartoe bracht. Daar waar jij haar nu ontmoet. De vreemdeling krijgt ineens een gezicht. Een naam. Een lach die je raakt. Misschien een traan die je hart beroert.
Ik realiseerde me dat er ineens ruimte komt als je in de vastentijd tijd vrijmaakt. Ruimte om een ander te zien. Het gebeurde Klaas daar in die wachtkamer. De oorlog ver weg kreeg ineens heel dichtbij een gezicht. De vrouw vertelde hem hoe ze terug was gegaan. Voor even. En daar in de puinhopen van de oorlog samen at met de mensen uit haar oude flat. Een tafel van niets, met velen gedeeld, een schril contrast met de verwoesting eromheen.
Anita Witzier antwoordde Klaas dat het er toe doet. Dat je niet onverschillig mag zijn. Dat je je best moet doen om mensen te zien. Dat mensen gezien moeten worden. En gekend.
In Gaza woedt een oorlog. Een klein stuk land. Twee miljoen mensen. Waar bommen vallen en willekeur van geweld gezinnen verscheurt. We zien het op televisie. Of nou ja: als er tenminste niet ergens anders nog iets veel ergers gebeurt. Dan gaan we door. Vergeten soms haast wat voor onbeschrijfelijke ellende zich daar op die paar vierkante kilometers afspeelt.
In Gaza woedt een oorlog. We zien de verwoeste gebouwen. Maar zien wij ook de mensen? Verreweg het merendeel van al die mensen is geen terrorist. Zij hebben niet gevraagd om geweld. Willen gewoon leven. Een tafel van niets delen met velen. Hebben die mensen een gezicht? Worden ze gezien? Gekend? Of zijn we toch – uiteindelijk – onverschillig?
In Den Haag lazen mensen die niet onverschillig wilden blijven, dag na dag de namen voor van de mensen die stierven in de Gazastrook. Omdat ze niet vergeten mogen worden. Omdat ze gezien en gekend moeten blijven. Ik word stil van binnen als ik er aan denk.
Het is vastentijd. Tijd om ruimte te maken in je hoofd, in je hart, in wie je bent en wil zijn voor al die mensen wereldwijd die gezien en gekend moeten blijven. Ik scroll op internet door lange lijsten met namen.
Dat we niet onverschillig blijven.
Dat we elkaar in de ogen blijven kijken.
Dat we elkaar willen blijven zien.
Marc Bollerman
Vasten
28 februari
In het programma Veertig dagen van je leven kregen Anita Witzier en Klaas van Kruistum deze week de opdracht sober te eten: drie maaltijden per dag en twee gezonde tussendoortjes. Margot de Zeeuw moest onmiddellijk denken aan een moeder in Malawi die ze ontmoette tijdens een projectbezoek. Deze moeder was al dankbaar als ze één maaltijd per dag voor haar kinderen had.
Buiten een tafeltje met een bakje zeeppoeder. Te koop per schepje. Haar huisje is piepklein en donker. Ik voel me te groot en te zwaar. Ga op het puntje van de gammele bank zitten. Zo weinig mogelijk aanraken. Naast me een stapel kleding. Vliegen eromheen. En een allesoverheersende, misselijkmakende stank. Niet aan denken. Niet te diep inademen. Zie de mens hier…
Ze was ziek. Haar zoon raakte ook geïnfecteerd. Hij moet nog steeds regelmatig naar het ziekenhuis. Natuurlijk gaat ze mee. Iemand moet daar immers voor hem zorgen? Geen zeephandeltje dan. Maar hier is het leven meedogenloos simpel: wie niet werkt, die eet niet.
Ik versta haar niet. Begrijp haar wel. Moedeloos is ze. Geen geld. Geen eten. Geen echtgenoot. Geen ouders. Geen uitweg.
Ze krijgt wat hulp. Gelukkig. Medicijnen voor haar en voor haar zoon. En extra voedingsmiddelen voor haar ondervoede zieke kind. Om aan te sterken. Voldoende voor één maand voor één kind.
Maar hoe legt ze haar vier andere kinderen uit dat hun broertje wel eten krijgt? Kleine porties dus. De rijst, de mais, het meel en de bonen zijn na een week op.
Nog drie weken te gaan als we afscheid nemen.
Margot de Zeeuw
Gewoontes
Zondag, 22 februari
Marc Bollerman keek gisteren naar de eerste aflevering van Veertig dagen van je leven, waarin Anita Witzier en Klaas van Kruistum wekelijks een 'vastenopdracht' krijgen en hun ervaringen met vasten delen. Het ging onder andere over loslaten en 'dat is een ding' merkt hij.
“Wat gebeurt er met jou als je afstand doet van iets waar je aan gehecht bent?” De vraag van Anita Witzier, in de eerste aflevering van het KRO-NCRV programma ‘Veertig dagen van je leven’ op NPO2, kwam direct bij me binnen. Het is een serieuze vraag die naar mijn mening precies de vinger legt op waar dit nieuwe programma in de Vastentijd over gaat. Vasten gaat over jou, over mij. Over loslaten, ruimte maken, en dat dat iets met je doet. Echt doet, als je dat tenminste toelaat.
Loslaten is een ding. Daar kunt u zich vast wat bij voorstellen. Je hecht je zo makkelijk aan dingen, aan kleine rituelen, spullen, mensen, gewoontes. Het geeft een gevoel van geluk, misschien beter: tevredenheid, als je dag vol zit met dat soort dingen die bij jou horen. Dat kopje koffie in de vroege ochtend. Die hete douche met de geur van je favoriete shampoo in je neus. Dat stukje chocola ’s avonds bij een kopje thee (dat is trouwens mijn dagelijkse geluksmomentje…). Waarom zou je dat in hemelsnaam los willen laten in de Vastentijd? Waarom zou je willens en wetens jezelf dat aandoen?
Loslaten is een ding. We worden uitgedaagd om in de Vastentijd het toch te doen. Met overgave en met aandacht. En waarom? Om – zo zei Maria van Mierlo het tenminste op televisie – ruimte te maken. Een lege plek. Klinkt heel mooi, denk ik dan. Maar wat heb ik daaraan, aan een lege plek?
Toch zou je het eens moeten proberen. En dan jouw lege plek gewoon maar even laten bestaan. Er hoeft niets voor in de plaats te komen. In het begin doet dat bij mij overigens helemaal niets. Dan mis ik alleen maar die chocola. Maar na een tijdje merk ik dan dat ik mezelf vragen ga stellen. Wat heb ik nou echt nodig? Waarom zijn al die gewoontes nou zo belangrijk. En hoe vanzelfsprekend vind ik ze? Hoe goed heb ik het eigenlijk dat ik me al dit soort kleine en grote dingen kan permitteren? Wat nou als ik dat niet meer zou kunnen? Zou ik dan nog steeds gelukkig zijn? Wat is het nou echt dat een mens gelukkig maakt?
Vorig jaar bezochten we vanuit Vastenactie projecten in Bolivia. We bezochten daar onder andere een opvangplek voor kinderen met een lichamelijke en geestelijke beperking, die door een van onze partners wordt ondersteund. De kinderen hebben helemaal niets. Perspectief, toekomst is voor hen minimaal. Ze zijn afhankelijk van de mensen die voor hen zorgen. Mensen die op hun beurt zelf in armoede leven met weinig perspectief. En toch zijn deze kinderen op hun manier gelukkig.
Toen ik gisterenavond aarzelde of ik wel of niet een chocolaatje zou pakken, dacht ik ineens aan die kinderen. En aan de intense knuffel die ik van één van hen kreeg. Omdat ons bezoek haar geluksmomentje die dag was? Misschien was dat alles: omdat ze zich gezien voelde. En wat is er belangrijker dan dat.
Ik glimlachte bij die herinnering. Waarna ik me realiseerde dat ik dat chocolaatje automatisch toch weer in mijn mond had gestopt. Verdorie! Gewoontes zijn een ding. Morgen ga ik het weer proberen. Het is gelukkig nog lang geen Pasen.
Marc Bollerman
Aswoensdag
Woensdag 18 februari
Vandaag is het Aswoensdag, de eerste dag van de Veertigdagentijd. Vandaag halen katholieken traditiegetrouw een 'askruisje'. Marc Bollerman ondergaat het altijd met enige aarzeling.
“Gedenk mens, dat ge stof zijt en tot stof zult wederkeren…” Dreigende woorden die elk jaar weer worden uitgesproken door de pastoor in mijn parochie tijdens de viering van Aswoensdag, terwijl hij met een ernstig gezicht een zwart kruisteken van as op mijn voorhoofd schrijft. Het is een indrukwekkend ritueel dat ik altijd met enige aarzeling onderga.
De aarzeling zit niet in de woorden: die zijn indringend, maar wel ontzettend betekenisvol. Het herinnert er ons aan dat veel in het leven relatief is, dat we voorbij onze eigen trots moeten kijken. Ze plaatsen ons in het hier en nu en tegelijk klinkt er in door dat dat hier en nu niet vanzelfsprekend is.
De aarzeling zit ook niet in de ernstige blik van mijn pastoor. Het is heel wat, wat hij moet doen. Voorhoofd na voorhoofd mensen in hun ziel raken en uitnodigen om te relativeren. Ik zou er ook ernstig bij kijken. Het stelt me gerust dat hij zelf ook getekend is met as. Zijn voorhoofd is niet heiliger of beter dan dat van mij.
De aarzeling zit 'm ook niet in de statige stilte van de – helaas vaak wat lege – kerk die je als een deken omarmt. De kerk is geen sombere plek. Het is een plek die mee-ademt met het ritme van het leven. We vieren er, rouwen er, zingen en bidden er. En dus is zo’n askruisje helemaal niet zo gek, zo één keer per jaar. Relativeren en even over je eigen trots heen stappen is voor elk mens goed.
De aarzeling zit vooral in de abrupte overgang. Gisteren was het nog carnaval (zeker hier in Brabant). Morgen is het vastentijd. Gisteren was het nog ‘business as usual’. Morgen zijn we samen onderweg naar Pasen. Gisteren was het feest, was het zondag. Morgen is het stil, sober, en verschieten de kleuren van groen en wit naar paars.
Ben ik daar wel klaar voor? Kan ik dat wel? Misschien wil ik morgen ook nog wel feesten. Of heb ik helemaal geen behoefte aan relativering en van die dingen. Misschien veeg ik straks het liefste dat veel te zichtbare zwarte kruisje weer gauw weg met de achterkant van mijn hand.
Durf ik wel echt dat askruisje te ontvangen? En mijn ziel te laten raken?
En elk jaar weer, doe ik het toch en elk jaar weer, gebeurt het bijzondere dat ik me ineens realiseer dat het goed is. Het is helemaal prima dat ik niet weet of ik wel klaar ben voor die veertigdagentijd. Het is helemaal prima dat ik misschien straks gauw dat kruisje weer wegveeg. Waar het om gaat is dat je naar voren gaat; dat ik naar voren ga om mijn hoofd te buigen en dat oeroude ritueel te ondergaan.
Want ja, ik maar een mens, met al mijn grote en kleine minpunten. En nee, dat is niet erg. Het is goed zo: ik mag er zijn.
Dat is het mooie, hoopvolle van Aswoensdag. En dus loop ik – hoop ik – ook dit jaar weer naar buiten met een licht hart. Want ik ben maar een mens. Stof uiteindelijk, meer niet. Maar als je doet wat je kan, dan mag je er zijn.
Marc Bollerman
Kiezen voor liefde
Maandag 16 februari
Deze week begint de veertigdagentijd. In de lezingen van deze week komen onder andere de thema's 'kiezen' en 'licht in de duisternis' aan de orde. Thema's die je ongemerkt op verschillende manieren en verschillende momenten in je leven tegenkomt zoals Margot de Zeeuw ooit meemaakte. Kiezen voor liefde bracht een grote verandering ten goede teweeg.
Het is alweer jaren geleden dat Daisey in mijn leven kwam. Haar betovergrootmoeder moet het beruchte monster van Caerbannog geweest zijn, dat onder andere ronde tafelridders Heer Gawain en Heer Hector nogal bruut een kopje kleiner maakte in Monty Python en de Heilige Graal. Maar ja, dat wist ik allemaal niet van tevoren.
Het begon ermee dat onze lieve hangoor Ben weduwnaar was geworden. Inderdaad, we hebben het over konijnen vandaag. Op naar het konijnenasiel dus. Het werd Daisey. Het doorslaggevende argument? Ze zat er al een jaar en niemand wilde haar hebben. Dat vond ik zielig, maar had me natuurlijk wel aan het denken moeten zetten. Ook het feit dat Daisey op de website van het asiel omschreven stond als ‘pittige dame’ had een belletje moeten doen rinkelen. En toen er twee medewerkers nodig waren om Daisey met behulp van een stoffer en blik in mijn mandje te krijgen, toen vroeg ik me wel even af waar ik in vredesnaam aan ging beginnen.
Charges
Daisey was aanvankelijk nogal onder de indruk van de verhuizing, maar dat duurde niet erg lang. Wie in de buurt kwam, die werd gebeten. Ze gromde, ze krabde en voerde complete charges uit. Ik was verbluft: zoveel energie in zo’n schattig konijntje. Ik deed mijn best rustig te blijven, maar ben toch een paar keer flink gebeten. Eén keer bungelde ze zelfs aan mijn duim.
Toen klom schattige, kleine Daisey al na twee dagen over het XL konijnenhekje dat we in de tuin hadden gezet. En ik bedoel hier letterlijk klimmen: met vier poten in het hek jezelf omhoog werken. Ik stond met open mond te kijken en voorzag een wilde klopjacht met ovenwanten en veiligheidsschoenen. Maar Daisey kwam naar me toe gehupt, liet zich aaien en – o wonder! – liet zich rustig oppakken en weer in haar eigen tuintje zetten. Dat herhaalde zich dagelijks: iedere ochtend als ik de gordijnen opendeed, scharrelde Daisey tevreden door de tuin. Ben zat vanachter zijn hekje verbaasd toe te kijken. En ze liet zich iedere dag gewoon oppakken, zonder te bijten of zelfs maar te grommen.
Tuintafel
En toen ging ik weer overstag. Ze kregen de hele tuin en Daisey ging aan de slag. Ze klom op de tuintafel en via de tuintafel sprong ze op de hangbakken met planten hoog aan de schutting. Ze zat op de regenton en groef gangen naar de buren. Ze proefde van de plantjes en joeg alle vogels weg. Maar als er mensen in de tuin kwamen, dan kwam ze naar je toe en liet ze zich aaien. Ze was toegankelijker en socialer dan brave Ben.
Zo werd onze Daisey van een gevreesde ‘killer rabbit’ een lief, gezellig konijntje. Hoe? Terugkijkend kan ik zeggen: door voor haar te kiezen, door van haar te houden zoals ze was en van haar te genieten. Een klein wonder vond ik het. Het was wel jammer dat Daisey echt heel andere ideeën had over een leuke tuin dan ik…
Margot de Zeeuw