Maandag 16 maart, maandag in de vierde week van de Veertigdagentijd

Gebed

Ik heb de dagen van mijn leven 
Bijeen gebracht, 
Opgestapeld 
Vastgebonden aan elkaar 
Met touwen eromheen 
En ze daarna met een zwaai 
Over mijn schouder 
Op mijn rug geladen 
Zo ga ik door het leven heen 

Elke nieuwe dag 
Leg ik er bovenop
Als me dat nog lukt 

Ik ben de dode zoon 
Ik ga gebukt 
Totdat Hij zegt: ‘Sta op, en leef’ 

Hij wast de tijden schoon 
Ik sta rechtop, ik ben 
Een vlinder, en ik zweef 

Geen last, geen lijden, 
Niet dat zwoegen continu 
Alleen de vrede en de lichtheid
En de Adem in het nu

Lezing van de dag, Johannes 4, 43-54

Na twee dagen ging Jezus verder, hij ging naar Galilea. Hij had zelf ooit gezegd dat een profeet in zijn eigen land niet met respect behandeld wordt. Maar toen hij in Galilea kwam, werd hij hartelijk ontvangen. Want de inwoners van Galilea hadden gezien wat Jezus op het Paasfeest in Jeruzalem gedaan had. Ze waren daar zelf bij geweest. In Galilea ging Jezus weer naar Kana. Dat was de plaats waar hij van water wijn gemaakt had. Er was daar een man uit Kafarnaüm die in dienst was van de koning. Zijn zoon was erg ziek. De man hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea gekomen was. Hij ging naar hem toe en zei: ‘Ga alstublieft mee naar Kafarnaüm om mijn zoon beter te maken. Anders zal hij sterven!’ Maar Jezus zei: ‘Wat is dat toch met jullie? Jullie geloven alleen als je wonderen ziet!’ De man zei: ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn zoon sterft!’ Jezus zei tegen hem: ‘Ga naar huis, je zoon leeft!’ De man geloofde wat Jezus zei, en ging naar huis. Onderweg kwamen zijn dienaren hem tegemoet. Ze zeiden: ‘Uw zoon leeft!’ De man vroeg: ‘Op welk moment is hij beter geworden?’ Ze zeiden: ‘Gistermiddag om één uur. Toen was de koorts opeens weg.’ Dat was precies het moment waarop Jezus tegen de man gezegd had: ‘Je zoon leeft!’ De man begreep wat er gebeurd was en ging in Jezus geloven, samen met zijn familie en zijn dienaren. Dat was het tweede wonder dat Jezus in Galilea deed. Het gebeurde nadat hij uit Judea teruggekomen was.

Terug naar boven

Dinsdag 17 maart , dinsdag in de vierde week van de Veertigdagentijd

Gebed

Ik vul de zakken tot de rand 
Met water, laat mijn hand 
Erdoorheen gaan 
De koelte raakt mijn bot 

Het leeft, beweegt en stuwt, 
Bevloeit mijn binnenkant 
Het is het leven zelf, 
Of, hoe zal ik het zeggen… 

…het is God?

Lezing van de dag, Johannes 5, 1-3a, 5-16

Kort daarna ging Jezus weer naar Jeruzalem omdat er een Joods feest was. Bij de Schaapspoort van Jeruzalem was een badhuis met vijf overdekte gangen. Het badhuis heette in het Hebreeuws Betzata. De gangen van het badhuis waren vol met zieke mensen. Er was daar ook een man die al 38 jaar ziek was. Jezus zag hem liggen, en wist dat hij al heel lang ziek was. Jezus vroeg aan hem: ‘Wil je beter worden?’ De man antwoordde: ‘Heer, ik heb geen enkele kans, want er is niemand die mij helpt. Als het water gaat bewegen, is er niemand om mij erheen te dragen. Daarom kom ik altijd te laat. Dan is er al een ander in het water, en die wordt dan genezen.’ Jezus zei tegen de man: ‘Sta op, pak je draagbed op, en loop!’ Meteen was de man beter. Hij pakte zijn draagbed op, en hij liep. Het was die dag sabbat. De Joodse leiders zeiden tegen de man die beter geworden was: ‘Het is vandaag sabbat, dan mag je geen bed dragen!’ Maar hij zei: ‘De man die mij beter maakte, zei: ‘Pak je draagbed op, en loop.’’ Ze vroegen hem: ‘Wie was dat?’ Dat wist de man niet. Want Jezus was al meteen in de drukte verdwenen. Later zag Jezus de man in de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Je bent beter geworden. Doe nu geen verkeerde dingen meer. Anders loopt het slecht met je af.’ De man ging weg. Hij vertelde aan de Joodse leiders dat Jezus hem beter gemaakt had. Toen wilden de Joodse leiders Jezus aanklagen, omdat hij op sabbat iemand beter gemaakt had.

Terug naar boven

Woensdag 18 maart , woensdag in de vierde week van de Veertigdagentijd

Gebed

Zoals de wortel, blind en diep, 
Zich vastbijt in de aarde 
Omdat hij groeien moet 
In wat voor hem van 
Waarde is 

Zo wonen wij in het verbond 
Dat hier met ons 
Gesloten werd 

Het hield ons vast 
Tot alle storm 
In ons 
Bedaarde

Lezing van de dag, Johannes 5, 17-30

Maar Jezus zei tegen hen: ‘Mijn Vader werkt altijd, en ik doe dat ook.’ Vanaf dat moment wilden de Joodse leiders Jezus doden. Want hij had niet alleen iemand beter gemaakt op sabbat, maar ook noemde hij God zijn eigen Vader. En daarmee maakte hij zichzelf gelijk aan God. Toen zei Jezus: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: De Vader houdt van zijn Zoon, hij laat zijn Zoon alles zien wat hij doet. Uit zichzelf kan de Zoon niets doen. Maar hij ziet wat de Vader doet, en hij doet dan precies hetzelfde. Hij zal nog grotere wonderen doen dan hij tot nu toe gedaan heeft. Jullie zullen verbaasd zijn! Want de Vader laat mensen opstaan uit de dood en hij maakt hen weer levend. En net zo maakt de Zoon mensen weer levend als hij dat wil. De Vader zal niet zelf rechtspreken over de mensen, maar hij laat de Zoon rechtspreken. Dan zullen alle mensen de Zoon eren, net zoals ze de Vader eren. Als je de Zoon niet eert, eer je ook de Vader niet. Want de Zoon is gestuurd door de Vader.’ Jezus zei verder: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Iemand die mijn boodschap aanneemt en gelooft dat God mij gestuurd heeft, die krijgt het eeuwige leven. Hij zal niet veroordeeld worden. Hij is niet meer in de macht van de dood, maar hij zal voor altijd leven. Luister heel goed naar mijn woorden: Er komt een nieuwe tijd, en die is nu al begonnen. Mensen die in de macht van de dood zijn, horen de stem van Gods Zoon. En als ze naar hem luisteren, zullen ze voor altijd leven. Want net zoals de Vader leven geeft, zo kan ook de Zoon leven geven. Die macht heeft de Vader aan zijn Zoon gegeven. De Zoon is rechter over alle mensen. Hij beslist over dood en leven. Want hij is de Mensenzoon. Wees niet verbaasd over wat ik zeg: Er komt een moment dat alle doden de stem van de Mensenzoon horen. Dan zullen ze uit hun graf tevoorschijn komen. De mensen die goed geleefd hebben, zullen opstaan en eeuwig leven. Maar de mensen die slecht geleefd hebben, zullen opstaan en veroordeeld worden. Uit mijzelf heb ik geen macht. Het oordeel dat ik geef, is het oordeel van de Vader. Ik spreek eerlijk recht. Want ik volg niet mijn eigen wil, maar de wil van de Vader die mij gestuurd heeft.’

Terug naar boven

Donderdag 19 maart ,  donderdag in de vierde week van de Veertigdagentijd  

Gebed

De weg ontvouwt zich 
Stap voor stap 

Ik zet mijn voeten 
Waar ik ben 

Al kost het me mijn leven 
En de mensen die ik ken 

Hier moet ik zijn 
Hier in dit huis 

Wat het ook vraagt 
Hier ben ik thuis

Lezing van de dag, Matteüs 16, 18-21. 24a

Jakob was de vader van Jozef. Jozef was de man van Maria, en Maria was de moeder van Jezus. Jezus wordt ook Christus genoemd. (…) Dit is het verhaal over de geboorte van Jezus Christus. Maria zou trouwen met Jozef, dat was afgesproken. Maar nog voordat ze getrouwd waren, werd Maria zwanger, door de heilige Geest. Jozef was een goed mens. Hij dacht: Ik kan niet met Maria trouwen, want ze is zwanger van een ander. Ik moet haar wegsturen. Maar dat zal ik in het geheim doen, anders zullen de mensen haar behandelen als een slechte vrouw. Toen kreeg Jozef een droom. In die droom zag hij een engel van de Heer, die zei: ‘Jozef, nakomeling van David, luister! Je kunt rustig met Maria trouwen. Want het kind dat zij verwacht, is van de heilige Geest. Maria zal een zoon krijgen. Je moet hem Jezus noemen. Hij zal zijn volk redden, hij zorgt ervoor dat al hun zonden vergeven worden.’(…) Toen Jozef wakker werd, deed hij wat de engel van de Heer tegen hem gezegd had.

Terug naar boven

Vrijdag 20 maart ,  vrijdag in de vierde week van de Veertigdagentijd  

Gebed

Wij zijn licht 
Dat niemand ziet 
Die niet goed kijkt 

Wij zijn heelal, 
Een wijd gebied 
Dat nergens wijkt 

Zo Hij mens was
Zijn wij God

Ons lot met hem 
Verbonden 

Eén in de Ene 
Onomwonden

Lezing van de dag, Johannes 7, 1-2. 10. 25-30

Het was vlak voor het Joodse Loofhuttenfeest. Jezus reisde rond in Galilea. Hij wilde niet naar Judea gaan, want hij wist dat de Joodse leiders hem wilden doden. De broers van Jezus gingen naar Jeruzalem voor het feest. Toen ze weg waren, ging Jezus zelf ook naar Jeruzalem. Maar niemand wist dat, hij ging in het geheim. Sommige mensen uit Jeruzalem zeiden: ‘Kijk nou! Dat is toch de man die ze willen doden? Hij staat hier gewoon in het openbaar te praten, en niemand zegt er iets van! Zouden onze leiders soms zelf in hem zijn gaan geloven? Zouden ze misschien geloven dat hij echt de messias is? Maar dat kan toch niet? Want als de messias komt, weet niemand waar hij vandaan komt. En wij weten toch allemaal waar Jezus vandaan komt?’ Jezus gaf hun in de tempel uitleg, en zei met nadruk: ‘Jullie kennen mij, en jullie weten waar ik vandaan kom. Maar ik ben hier niet namens mijzelf. Ik ben gestuurd door iemand die betrouwbaar is. Jullie kennen hem niet, maar ik ken hem wel. Want ik kom bij hem vandaan en hij heeft mij gestuurd.’ Toen wilde een aantal mensen Jezus gevangennemen. Maar ze konden hem niet grijpen, want het juiste moment was nog niet gekomen.

Terug naar boven

Zaterdag 21 maart ,  zaterdag in de vierde week van de Veertigdagentijd  

Gebed

Hoor de fluister in de bomen 
Waar de Naam in klinkt 

Merk het zwijgen op 
Waar je je voet aan stoot 
De niet te geloven waarheid 
Die je uit het lood 
slaat 

Vang met je handen dan de woorden
Waarin het wonder zingt

Lezing van de dag, Johannes 7, 1-2. 10. 25-30

Toen de mensen de woorden van Jezus hoorden, zeiden sommigen: ‘Deze man is de profeet die zou komen!’ Anderen zeiden: ‘Hij is de messias!’ Weer anderen zeiden: ‘Maar de messias komt toch niet uit Galilea? In de heilige boeken staat dat de messias een nakomeling van David is, en uit Betlehem komt! Want dat is de stad waar David woonde.’ De mensen waren het totaal oneens over Jezus. Sommigen wilden hem gevangennemen, maar ze konden hem niet grijpen. De dienaren van de farizeeën en de priesters kwamen terug. Ze hadden Jezus niet gevangengenomen. De farizeeën en de priesters vroegen: ‘Waarom hebben jullie hem niet meegenomen?’ De dienaren zeiden: ‘Geen mens spreekt zo overtuigend als hij!’ De farizeeën zeiden: ‘Heeft hij jullie nu ook al bedrogen? Niemand van de leiders en niemand van de farizeeën gelooft in hem. Alleen dat vervloekte volk, dat de wet niet kent!’ Maar Nikodemus, een farizeeër die al eens bij Jezus geweest was, zei: ‘Volgens onze wet mogen we iemand niet zomaar veroordelen! We moeten eerst zelf horen wat hij zegt, en onderzoeken wat hij gedaan heeft.’ Maar de anderen zeiden tegen hem: ‘Kom jij soms ook uit Galilea, net als Jezus? Uit Galilea kan geen profeet komen. Kijk dat maar na in de heilige boeken.’ Toen gingen alle mensen terug naar huis.

Terug naar boven