Maandag 23 maart, maandag in de vijfde week van de Veertigdagentijd
Gebed
Er staat geschreven wat er staat
Lijnen van liefde in het zand
Gedachteloos schreef Jezus
Trage woorden met zijn hand
We weten niet meer wat Hij dacht
Alleen maar dat hij onverwacht
Niet oordeelde, niet gooide met een steen
Naar de mensen om hem heen
Die zachtheid zet zich in ons voort
Want iedereen heeft het gehoord
En weet bij alle pijn en ergernis
Dat gooien nooit het antwoord is
Lezing van de dag, Johannes 8, 1-11
Jezus ging naar de Olijfberg. De volgende ochtend vroeg ging Jezus weer naar de tempel. Het hele volk kwam naar hem toe. Jezus ging zitten, en gaf uitleg over God. Toen brachten de wetsleraren en de farizeeën een vrouw bij Jezus. Ze had met een andere man geslapen, en dat was ontdekt. De wetsleraren en de farizeeën zetten de vrouw in het midden neer. Ze zeiden tegen Jezus: ‘Meester, deze vrouw heeft met een andere man geslapen, en dat is ontdekt. Volgens de wet van Mozes moet zo’n vrouw gedood worden. Wat is uw oordeel?’ De wetsleraren en de farizeeën hoopten dat Jezus iets strafbaars zou zeggen. Want dan konden ze hem aanklagen. Maar Jezus boog zich voorover en schreef met zijn vinger in het zand. De wetsleraren en de farizeeën bleven hun vraag herhalen. Toen keek Jezus op en zei: ‘Wie van jullie heeft nooit iets verkeerds gedaan? Die moet als eerste een steen naar de vrouw gooien.’ Daarna boog Jezus zich opnieuw voorover en schreef weer met zijn vinger in het zand. Toen liepen de mensen één voor één weg, de leiders van het volk het eerst. Jezus bleef alleen achter met de vrouw die bij hem gebracht was. Hij kwam overeind en zei tegen haar: ‘Waar is iedereen gebleven? Heeft niemand je veroordeeld?’ De vrouw zei: ‘Nee, Heer, niemand.’ Toen zei Jezus: ‘Ik veroordeel je ook niet. Ga naar huis, en doe vanaf nu geen verkeerde dingen meer.’
Dinsdag 24 maart , dinsdag in de vijfde week van de Veertigdagentijd
Gebed
Eén stem die in de verte zingt
Eén licht dat door de schemer valt
Eén voetstap in het donker
Eén ster die flonkert
In het zwart
Eén dag als een fluwelen jas
Eén leven vol van leven
Eén mens die in het heden is
Eén bij de Ene, in het
Hoog verheven
Godgegeven
Leven
Lezing van de dag, Johannes 8, 21-30
Jezus zei verder tegen de mensen: ‘Ik ga weg. Jullie zullen mij zoeken, maar niet vinden. Want waar ik naartoe ga, daar kunnen jullie niet komen. En jullie zullen sterven als slechte mensen.’ De Joden zeiden tegen elkaar: ‘Waarom kunnen wij niet komen waar hij naartoe gaat? Wat bedoelt hij daarmee? Wil hij soms zelfmoord plegen?’ Jezus zei tegen hen: ‘Jullie plaats is hier op aarde, maar mijn plaats is daarboven. Jullie horen bij deze wereld, maar ik niet. Ik zei al: ‘Jullie zullen sterven als slechte mensen.’ Dat zal inderdaad gebeuren als jullie niet in mij geloven. Want ik ben degene die komen zou.’ Ze vroegen: ‘Wie bent u dan?’ En Jezus zei: ‘Dat vertel ik jullie al de hele tijd! Ik zou veel slechte dingen over jullie kunnen zeggen en jullie kunnen veroordelen. Maar ik ben voor iets anders naar de wereld gekomen. Ik ben gestuurd door iemand die betrouwbaar is. Ik moet zijn boodschap bekendmaken.’ De mensen begrepen niet dat Jezus het over de Vader had. Toen zei Jezus tegen hen: ‘Pas als jullie mij aan het kruis gehangen hebben, zullen jullie begrijpen dat ik de Mensenzoon ben. En dat ik niets uit mezelf gedaan heb. Want ik vertel jullie wat de Vader mij geleerd heeft. De Vader die mij gestuurd heeft, is bij me. Hij laat me nooit alleen, omdat ik altijd doe wat hij wil.’ Toen Jezus dat zei, gingen veel mensen in hem geloven.
Woensdag 25 maart , woensdag in de vijfde week van de Veertigdagentijd
Gebed
‘Doe maar met mij wat je wil’ –
Het zal je maar gezegd zijn
Wat zou je doen
Als ik dat zei
Tegen jou
Wat zou ik doen
Als jij dat zei
Tegen mij
Zouden we niet allebei
Met vlindervingers
Strelen en behoeden
Zouden we niet allebei
Iets van Gods tederheid
Daarin vermoeden?
Lezing van de dag, Lucas 1, 26-38
God stuurde de engel Gabriël naar Nazaret, een stad in Galilea. Elisabet was toen zes maanden zwanger. De engel ging naar Maria, een jonge vrouw die zou gaan trouwen met Jozef. Jozef kwam uit de familie van koning David. De engel zei tegen Maria: ‘Ik groet je, Maria. God heeft jou uitgekozen. Hij zal bij je zijn.’ Maria schrok van de woorden van de engel. Ze vroeg zich af wat hij bedoelde. Toen zei de engel tegen Maria: ‘Je hoeft niet bang te zijn, Maria. God heeft je uitgekozen voor iets moois. Je zult zwanger worden en een zoon krijgen. Je moet hem Jezus noemen. Jezus zal heel belangrijk zijn, hij zal Zoon van de allerhoogste God genoemd worden. En God, de Heer, zal hem koning maken, net zoals zijn voorvader David dat was. Jezus zal voor altijd koning van Israël zijn. Aan zijn macht komt geen einde.’ Maria zei tegen de engel: ‘Maar ik slaap nog niet met een man. Hoe kan ik dan zwanger worden?’ De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal bij je komen. En door de kracht van de allerhoogste God zul je zwanger worden. Daarom zal jouw kind bij God horen, en zal hij Zoon van God genoemd worden. Ook je familielid Elisabet krijgt een zoon. Iedereen dacht dat zij geen kinderen kon krijgen. Maar nu is ze al zes maanden zwanger, terwijl ze toch al oud is. Voor God is alles mogelijk!’ Maria zei: ‘Ik wil God dienen. Laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Toen ging de engel weg.
Donderdag 26 maart , donderdag in de vijfde week van de Veertigdagentijd
Gebed
De snelle rivier
Stroomt door mijn geboortestad
Langs kade, havens, dan de bocht om
Uit het zicht
Traag daarboven: de wolken
Schouder aan schouder
Houden zij elkaar
In evenwicht
Daartussenin sta ik
Het water om mijn voeten
Belooft een nieuw begin
Er is geen aarzeling
Ik laat de oever los
En drijf de wijde leegte in
Lezing van de dag, Johannes 8, 51-59
Luister heel goed naar mijn woorden: Iedereen die mijn boodschap in zijn hart bewaart, die zal nooit sterven.’ De Joden zeiden: ‘Nu weten we zeker dat u een kwade geest in u hebt. Want u zegt: ‘Iedereen die mijn boodschap in zijn hart bewaart, zal nooit sterven.’ Maar zelfs onze voorvader Abraham en de profeten zijn gestorven! U hebt toch niet meer macht dan zij? Wie denkt u wel dat u bent?’ Jezus zei tegen de Joden: ‘Als ik mezelf de hoogste eer zou geven, zou dat geen betekenis hebben. Maar het is mijn Vader die mij de hoogste eer geeft. Jullie zeggen dat hij jullie God is, maar jullie kennen hem niet. Jullie liegen als je zegt dat je God kent. Maar ik zou liegen als ik zei dat ik hem niet kende. Want ik ken hem wel, en ik geef zijn boodschap door. Abraham verheugde zich op mijn komst. Toen hij mij zag, was hij blij.’ De Joden zeiden tegen Jezus: ‘Hoe kunt u Abraham ooit gezien hebben? U bent nog geen vijftig jaar oud!’ Toen zei Jezus: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Ik ben er, en ik was er al voordat Abraham er was.’ Toen pakten de Joden stenen van de grond om naar hem te gooien. Maar Jezus ging weg uit de tempel en verdween.
Vrijdag 27 maart , vrijdag in de vijfde week van de Veertigdagentijd
Gebed
Ik moet wieden
Al het onkruid moet eruit
Heel vlug
De stemmen en het razen
Van de mensen en de tijd
Dat onophoudelijke vragen
De ruzie die mijn denken splijt
In voor of tegen
Vluchten of meebewegen
De oorlog of het stil verwijt
De tuin waarin dat groeit
Ligt ook in mij
Ik moet wieden
Al het onkruid moet eruit
Heel vlug
En als het weer opschiet
Kom ik terug
Lezing van de dag, Johannes 31-42
Toen pakten de Joden weer stenen van de grond om die naar Jezus te gooien. Jezus zei tegen hen: ‘De Vader heeft mij veel goede dingen laten doen. Om welke goede daad willen jullie mij doden?’ De Joden zeiden: ‘Wij willen u niet doden om een goede daad, maar omdat u God beledigt! Want u bent een mens, maar u zegt van uzelf dat u God bent.’ Jezus zei: ‘Jullie weten toch dat God in de heilige boeken zegt: «Jullie zijn goden.» Dat gaat over mensen, en die worden dus goden genoemd. En wat in de heilige boeken staat, is waar. Bovendien heeft de Vader zelf mij uitgekozen en naar de wereld gestuurd! Dan beledig ik toch God niet als ik zeg dat ik zijn Zoon ben? Als ik niet het werk van mijn Vader zou doen, hoefden jullie niet in mij te geloven. Maar ik doe dat wel, en toch geloven jullie niet in mij! Geloof dan tenminste in de wonderen die ik doe. Want dan begrijpen jullie dat de Vader in mij is, en dat ik bij hem hoor.’ Alweer wilden de Joden Jezus grijpen. Maar het lukte hun niet, en Jezus ging weg. Jezus ging weer naar de overkant van de Jordaan. Dat was de plaats waar Johannes de mensen gedoopt had. Jezus bleef daar een tijd. Er kwamen veel mensen naar Jezus toe. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Nu weten we dat alles wat Johannes de Doper over Jezus vertelde, waar was. Ook al deed Johannes zelf geen wonderen.’ Veel mensen in dat gebied gingen in Jezus geloven.
Zaterdag 28 maart , zaterdag in de vijfde week van de Veertigdagentijd
Gebed
Hier is geen deur die open zwaait
Geen raam dat krakend sluit
Hier is geen tijd
Ik ben eruit:
Als alles mij omvat,
Verdwijnt wat ik hier ken
Ik ben middenin
Waar niets meer is
Als ik in de Ene ben
Lezing van de dag, Johannes 11, 45-56
Veel van de Joden die naar Maria toe gekomen waren, gingen in Jezus geloven. Want ze hadden gezien wat Jezus met Lazarus gedaan had. Sommigen van hen vertelden het aan de farizeeën. Toen riepen de priesters en de farizeeën de Joodse leiders bij elkaar. Ze zeiden: ‘We moeten iets doen! Want deze man blijft maar wonderen doen. Als we hem niet tegenhouden, zal iedereen in hem gaan geloven. En dat zullen de Romeinen niet toelaten. Dan zullen ze onze tempel verwoesten, en ons volk vernietigen!’ Kajafas was dat jaar hogepriester. Hij zei tegen de andere leiders: ‘Jullie begrijpen er helemaal niets van! Bedenk toch wat voor jullie het beste is! Het is beter dat één mens sterft voor het volk, dan dat het hele volk vernietigd wordt!’ Die woorden van Kajafas kwamen niet van hemzelf. God liet de hogepriester spreken als een profeet. Want zo voorspelde Kajafas dat Jezus zou sterven voor het volk. En niet alleen voor het Joodse volk, maar voor al Gods kinderen op de hele wereld. Want door de dood van Jezus zouden zij samen één volk worden. Vanaf die dag maakten de leiders plannen om Jezus te doden. Daarom reisde Jezus niet langer rond in Judea. Hij vertrok naar een stad die Efraïm heette, dicht bij de woestijn. Daar bleef hij met zijn leerlingen. Het was kort voor het Joodse Paasfeest. Veel mensen van buiten Judea kwamen naar Jeruzalem, om zich op het feest voor te bereiden. De mensen waren op zoek naar Jezus. In de tempel spraken ze daarover met elkaar: ‘Wat denk je, zou Jezus nog naar Jeruzalem komen voor het feest?’